Deel dit op:
9. “Verstrooien” in de Schrift
De leerlingen van de Heer stonden een periode te wachten waarin Hij niet fysiek aanwezig zou zijn. In die tijd zouden zij niet ‘als één man’ standvastig blijven, maar uiteenvallen.
Mattheüs 26
31 “… want er staat geschreven:
‘Ik zal de herder treffen
en de schapen van de kudde
zullen uitgestrooid worden.’
32 Nadat Ik echter opgewekt word,
zal Ik voor jullie uitgaan naar Galilea.” [NCV]
De gezamenlijke blik van de leerlingen zou bij Zijn tijdelijke afwezigheid, niet gericht zijn op de Éne Man, die in de opstanding vóór hen uitging.
Daarvan is ook sprake bij het volk van God. Bij hen gaat die weg nog veel dieper, God heeft hun ogen en oren toegesloten voor de Heer1. Het zou eveneens verstrooid worden en is in een diepe slaap gevallen2 – in geestelijke zin tot stilstand gebracht.
Maar dat is van tijdelijke aard3. Want als God mensen roept voor een taak, dan komt Hij daar níet van terug. Zijn genadegaven en roeping zijn onberouwelijk4. Dat zou bij de leerlingen van de Heer blijken, zo ook met het volk van God.
Op Gods tijd zal ieder die daartoe geroepen is, diens plaats innemen en het werk gaan doen wat Hij heeft voorbereid5. Van Hém is immers het willen en werken6. En als wij niet in genade7 op de door God opgewekte en verheerlijkte Heer gericht werden8, zouden we in geestelijke zin nét zo goed verstrooid raken.
1. Mat.13:15 2. Jes.29:10 3. Eze.11:17 4. Rom.11:29 5. Ef.2:10 6. Fil.2:13 7. Rom.4:16; Ef.2:8,9 8. 1Kor.1:28-31
